|
|
Onderwerp:
Samenvatting:
De aandacht vestigend op Galaten 4:6 herhaalt John Ritenbaugh dat Jezus Christus de Geest is die werd aangeduid om in ons te wonen. Er bestaat geen derde persoon binnen een gesloten drieëenheid. Jezus Christus en God de Vader zijn één in geest en doel, waarbij dat doel is ons naar dezelfde soort eenheid te trekken als die momenteel tussen Hen bestaat. Het woord Elohim is niet beperkt tot goddelijke wezens, geslacht of familie. Er zijn twee goddelijke Wezens die in zo'n harmonie (Johannes 10:30) samenwerken dat ze één gezin vormen. De Vader en de Zoon zijn beiden van de goddelijke soort (groep, klasse, familie) – scheppende, heersende wezens. Absoluut kan worden beschouwd als een synoniem van allerhoogste; er is niemand aan wie God de Vader Zich moet onderwerpen. Jezus Christus voegde Zich onder de Vader en had als taak de Vader te openbaren. Door Jezus' eigen getuigenis weten we dat Jezus de Vader erkende als meer (of superieur) dan Hij (Johannes 5:30; 6:38; 8:29; 12:49-50; 14:28). Paulus erkende dat de Vader superieur was in rang ten opzichte van Christus (1 Corinthiërs 15:27-28). De mindere onderwerpt zich aan de meerdere. Weer volledig geest zijnde erkende Jezus nog steeds de superioriteit van de Vader; Jezus erkende dat Hij niet de absolute God was, zelfs al waren beiden gelijk voor wat betreft hun soort. In termen van functie en verantwoordelijkheid is God de Vader superieur (1 Corinthiërs 8:6, Efeziërs 4:4-6, 1 Timotheüs 1:17); Gods gezin kent een hiërarchie. Jezus, onderworpen aan de Vader – de absolute God – is onze Heer, Meester, Zaligmaker en Hogepriester, en onze aanbidding volledig waard (Mattheüs 9:18, Johannes 9:38). Jezus, Zijn neef Johannes de Doper en de apostel Paulus gaven bewijs van Christus' eeuwig eerder bestaan (Johannes 1:1-2, 30; 3:13; 8:58; 1 Corinthiërs 10:4; Hebreeën 11:27). De God van het Oude Testament werd Jezus Christus. Jezus' broers en zusters zijn, als ze eenmaal als goddelijke wezens in de God-familie geboren zijn, aanbidding waardig (Openbaring 3:9); zij zijn NIET het hoofd van de goddelijke familie.
|